17 maart - 13 april
Drie maanden na de rampIn de kampen proberen de mensen zich aan te passen aan hun nieuwe situatie. Op de weinige plekken waar geen tenten staan wordt vanaf kraampjes weer handel gedreven. Met steun van ngo's organiseren vooral vrouwen allerlei activiteiten voor kinderen en zorgen ze voor de verbetering van de hygiëne om ziektes te voorkomen. Tot nu zijn de gevreesde epidemieën niet uitgebroken.
Internationale organisaties zijn onder de indruk van de moed en vastberadenheid waarmee de bevolking probeert er weer bovenop te komen.
In Port-au-Prince zijn veel straten onbegaanbaar omdat dakloos geworden mensen er hun eigengemaakte tenten hebben opgeslagen of omdat ze nog vol puin liggen. Sinds veel vrachtwagens naar de provincie zijn vertrokken voor werkzaamheden in verband met het aanstaande orkaanseizoen, is het puinruimen voornamelijk (gevaarlijk) handwerk, waarbij gewonden en soms doden vallen.
Er heerst grote onvrede over het feit dat de stem van het volk, verwoord door allerlei organisaties, niet gehoord is in het wederopbouwplan van de internationale donoren.
Een tweede probleem doet zich voor nu de regering het parlement toestemming wil vragen voor een noodwet die haar gedurende achttien maanden, van april 2010 tot oktober 2011, dus langer dan de duur van het mandaat van de president, volmacht geeft. Dat wil zeggen dat het parlement gedurende die tijd haar taak de regering te controleren niet kan uitoefenen.
Dit wetsvoorstel spreekt van de vorming van een 'voorlopige wederopbouwcommissie', samengesteld uit Haïtianen en buitenlanders, waarbij premier Bellerive en Bill Clinton (in zijn hoedanigheid als bijzonder afgevaardigde van de VN), als voorzitters optreden. De taak van de commissie zal zijn leiding te geven aan het proces van wederopbouw.
De voorgestelde wet mist elke rechtvaardiging in de grondwet en veroorzaakt grote opwinding in de politieke milieus, ook al stemde het parlement in 2008 na de vier orkanen wel voor een dergelijke wet.
Een coalitie van een veertigtal socio-politieke organisaties noemt het wetsvoorstel immoreel en illegaal.
De internationale gemeenschap heeft op 31 maart toegezegd ongeveer 10 miljard te fourneren voor de wederopbouw. Het is nog niet bekend hoe dit geld besteed zal worden.
De meeste openbare en particuliere scholen in het departement West zijn, voor zo ver ze niet verwoest zijn, nog niet heropend. Veel leerlingen hebben hun ouders verloren, zijn getraumatiseerd of hun ouders kunnen het schoolgeld niet betalen.
Voor het geven van onderwijs zijn 3000 grote tenten of andere voorlopige voorzieningen beschikbaar gesteld, maar tenten zijn niet geschikt wanneer het regent en het wordt er in gauw te warm, wanneer 's middags de zon op zijn hoogst staat. Onderwijsbonden pleiten voor het neerzetten van grote loodsen.
De autoriteiten denken dat ongeveer $ 2 miljard nodig is voor het weer normaal functioneren van het onderwijs.
Volgens de directie Bescherming Bevolking zijn door de aardbeving 222.517 personen omgekomen of worden vermist. Naar schatting moesten van 6.000 mensen leden worden geamputeerd, waardoor het aantal gehandicapten aanzienlijk is toegenomen. Meer dan de helft van de ziekenhuizen zijn is verwoest. Door het aantal doden en de emigratie naar het binnenland heeft Port-au-Prince nu 800.000 minder inwoners. Dit is gelegenheid om de lang gewenste decentralisatie door te voeren, ook in het binnenland overheidsdiensten te doen ontstaan, er universiteiten te vestigen en de daarbij behorende infrastructuur te verbeteren. Het is ook hét moment om de landbouwsector uit te breiden. (Nouvelles Images d'Haïti, no.84)
LandbouwHaïtiaanse rijstboeren zitten met hun handen in het haar. Bijna de totale oogst is verwoest en met wat gespaard bleef moeten ze concurreren met de15.000 ton rijst die de VS na de ramp aan Haïti geschonken hebben. 'Ik kan nu helemaal niets meer verdienen met mijn rijst', zegt een 37 jaar oude boer. 'Ik kan mijn gezin niet te eten geven'.
Het probleem waar de hulpverlening voor staat is: hoe kunnen we helpen zonder dat we de toch al kwetsbare Haïtiaanse economie ondermijnen. Al jaren lang is de inlandse rijstbouw ontwricht door import van goedkope (zwaar gesubsidieerde) rijst uit de VS.
Maar er is wat de landbouw in het algemeen betreft een dieper liggend probleem. Vanwege de bergen is de grond die voor landbouw geschikt is beperkt. Daarbij komt dat ze niet naar behoren verzorgd wordt. Het irrigatiesysteem dateert uit de 18e eeuw en er is weinig aan gedaan om het te verbeteren. Tel daarbij op de massale ontbossing. Door de ontstane erosie worden bij regen tonnen grond naar zee gevoerd.
Het is bovendien slecht gesteld met het eigendomsrecht van boeren, waardoor corruptie vrij spel heeft en de boer vaak gedwongen wordt zijn land te verlaten.
Tot dat deze problemen serieus aangepakt worden, is Haïti niet in staat zelf voldoende voedsel te produceren.
Haïti kan waardevolle gewassen exporteren zoals tropische vruchten (mango, guave), knoflook, vanille en koffie (Arabica), waar een groeiende internationale markt voor is.
In sommige streken is er een overvloed van voedsel, maar het vervoer is een probleem: erbarmelijk slechte wegen. Het transport over water is riskant.
De slechte situatie in de landbouw is het gevolg van een kortzichtige kleptocratie, van de extreme armoede (geen geld voor investeringen) en de internationale donors met hun vaak verborgen agenda' (HSG 8 en 9 maart)
In de plannen voor de wederopbouw staan twee meningen diametraal tegenover elkaar: stimuleren van de eigen voedselproductie of uitbreiden van de assemblage-industrie. Hieronder de bezwaren tegen de laatste, zoals die door de Haïti Support Group genoemd worden.
De internationale gemeenschap en de zakenwereld halen weer een oud paard van stal door te pleiten voor uitbreiding van de assemblage-industrie als cruciaal voor de wederopbouw. De regering Obama spoort de kleinhandel aan om minstens 1% van de kleding die zij verkoopt uit Haïti te betrekken.
Maar weinig Haïtianen hebben een vast inkomen. Ontelbaren zijn werkloos. Voor de aardbeving werd hun aantal geschat op 60 - 80 %. In de steden proberen ze rond te komen door straatverkoop, door het doen van klusjes of ze zitten te wachten op geld dat hun uit het buitenland wordt overgemaakt.
Assemblage-industrie staat centraal in het VN plan voor economisch groei, dat gebaseerd is op het rapport van professor Paul Collier, econoom aan de universiteit van Oxford, en dat gepromoot wordt door Bill Clinton, bijzonder afgevaardigden van de VN voor Haïti.
Volgens hen zal deze sector gauw honderdduizenden arbeidsplaatsen leveren dank zij twee gegevens: de handelsovereenkomst met de VS met voorkeursregeling en goedkope Haïtiaanse arbeidskrachten.
De eerste is Hope II (Haïti Hemispheric Opportunity throug Partnership Encouragement Act), waardoor Haïti op textiel voor de VS tien jaar lang geen invoerrechten hoeft te betalen. In 2009 is voor $ 513 miljoen kleding uit Haïti naar de VS verscheept.
Bijna alle 1.2000 werknemers in de assemblage-industrie aan de grens met de Dominicaanse Republiek die er na de aardbeving nog werken verdienen het nieuwe minimumloon van 125 gourdes per dag ($ 3,09), slechts een paar cent meer dan in 1984.
'Het is niet genoeg voor een fatsoenlijk bestaan, maar het is een eerste stap', zegt de voorzitter van het Haïtiaanse verbond van industriëlen.
Voor Rebecca, een van de werkneemsters, biedt het zeker geen fatsoenlijk bestaan. Ze slaapt op straat. Met haar dagloon kan ze wat rijst kopen, maar moet er ook de groepstaxi van betalen en de schuld op haar huis dat verwoest is. Ze wil ook haar vriend bellen die naar de Dominicaanse Republiek is vervoerd wegens een tijdens de aardbeving gebroken been of haar zoontje van 4 jaar, dat ze naar familie in het binnenland heeft gestuurd.
Cellier en Clinton zijn van mening dat, wil Haïti bij de ontwikkelde landen gaan horen, Haïtianen eerst zo veel mogelijk uren moeten werken voor weinig loon, zodat de economie kan groeien.
Premier Bellerive, econoom, vindt dat de assemblage-industrie zijn nut heeft, maar dat er meer geïnvesteerd moet worden in duurzame sectoren zoals de landbouw en het toerisme.
Anderen vrezen een terugkeer naar de donkere tijden onder de Duvaliers, toen een kleine elite de winst opstreek toen de assemblage industrie baseballs en speelgoed maakte voor de export naar de VS.
De eigenaren hebben ook door de aardbevingen schade geleden. In Carrefour stortte een fabriek volledig in, waarbij driehonderd werknemers omkwamen. Elders leed een andere fabriek ernstige schade. Maar nu is de gezamenlijke productie weer voor 80 - 90% op het oude peil.
In een bijeenkomst met investeerders in oktober ontwikkelde Clinton een visie op Haïti's economie, waarin de assemblage-industrie een grote rol speelt: 'De rijken zullen rijker worden, maar er zal een veel en veel grotere middenklasse zijn en nog veel armen. (HSG 12 februari)
Ruim twee maanden na de aardbeving wachten duizenden in en buiten Port-au-Prince op hulp. In de vier kampen die we de eerste dag bezochten is het leven een dagelijkse strijd. Mensen zitten nog zonder water, voedsel, tenten en sanitaire voorzieningen. Ze berusten in hun lot en vertrouwen op onderlinge solidariteit.
Kampen zijn er overal. Iedere open plek, privé of openbaar, is bezet door duizenden. Ze zoeken bescherming onder lakens en handdoeken, in tenten, onder dekzeilen of, dat zijn de meest vindingrijke, in optrekjes van afvalhout en zink.
In de kampen die we in Cité-Soleil, Delmas en Champ-de-Mars bezochten zijn comités opgericht die al improviserend de leiding op zich nemen: coördinatie, veiligheid 's nachts, registratie van gezinnen, activiteiten voor kinderen, graven van latrines en afbakening van gemeenschappelijke ruimtes.
De meeste vrouwen proberen op straat allerlei spullen te verkopen om wat te verdienen en zo hun gezin te eten kunnen geven. Andere vrouwen staan geduldig in de rij bij distributiepunten te wachten op wat rijst of wat er beschikbaar is. Gewapende Amerikanen of blauwhelmen zijn aanwezig om er de orde te handhaven.
De meeste gebouwen van de overheid zijn verwoest of niet te gebruiken. Zoals duizenden andere Haïtianen kamperen of werken de ambtenaren op straat. De ruimte rond het politiebureau, vlak bij het paleis, is een van de open plaatsen die nu door 12.000 mensen bezet zijn. Het is een van de weinige plaatsen waar vrouwen aanklachten kunnen doen tegen geweldsmisbruik. In het logboek staan sinds 12 januari er 52 gevallen van lichamelijk of seksueel geweld geregistreerd.
De dienstdoende politieman zegt dat veel van de slachtoffers meisjes zijn tussen 11 en 16 jaar. Maar hij kan niet uitleggen waarom een moeder, bij wie de dochter door vier jonge mannen een poging tot verkrachting deden, van de politie te horen kreeg dat zij daar niets aan kon doen en dat de veiligheid in de kampen de verantwoordelijkheid van de president was.
In Cité Soleil beviel een moeder van een kind in onvoorstelbare smerigheid, vier meter verwijderd van een kanaal met stilstaand stinkend water met afval dat bedekt was met vliegen en muggen. Een vrouw die haar hielp moest het doen zonder schoon water, handdoeken en steriele middelen om de navelstreng af te binden.
In Jacmel bezochten we een kamp van 5.000 personen. Er is gebrek aan drinkwater. Een van de weinige beschikbare tankwagens had het onderweg begeven. De kampbewoners bleef niets anders over dan een heel eind te lopen om (niet drinkwaar) water te halen.
Zoals veel dorpen die niet door de aardbeving getroffen zijn, verschaft Las Cohabas, 70 km. van Port-au-Prince, honderden vluchtelingen onderdak. De meesten van hen zijn bij familie ondergebracht. Wie zonder familie is, leeft in kampen en is afhankelijk van de vrijgevigheid van de oorspronkelijke inwoners. Beide groepen voelen zich in de steek gelaten door de staat en de internationale gemeenschap. Hulp heeft hen nooit bereikt.
In een huis dat we bezochten woonden de ouders met hun twee kinderen. Twee dagen na de ramp kreeg de man de zorg voor 34 mensen: familie, vrienden en kennissen. (HSG, 25 maart)
De aardbeving heeft bijna 1,3 miljoen mensen dakloos gemaakt, waarvan meer den 750.000 in Port-au-Prince. De hoofdstad is gaan lijken op een vluchtelingenkamp waar nog steeds op iedere open ruimte van enige omvang mensen 'wonen' in zelfgemaakte 'tenten' (lakens en dergelijke op stokken) of in tentenkampen die door de humanitaire hulporganisaties zijn opgezet. Er is sprake van het opzetten van een paar grote kampen in Croix des Bouquets, aan de weg naar de Dominicaanse Republiek, met elk 50.000 tot 100.000 bewoners.
Tegelijkertijd stellen anderen de vraag of het niet beter is andere oplossingen te zoeken. Volgens Turner, woordvoerder van de Internationale organisatie voor Migratie, gaan tenten niet langer dan een half jaar mee en het zal nog vijf jaar duren eer de meesten een echt huis kunnen betrekken. Hij denkt daarom aan de daklozen de middelen te geven voor het neerzetten van een eigen voorlopig onderkomen, dat eventueel gemaakt kan worden van afvalhout en ijzer, en steviger is dan tenten. De bouwer zou ze kunnen neerzetten waar hij wil.
Dat zou betekenen dat Port-au-Prince vol komt te staan met honderden van dit soort bouwsels. (HSG, 4 februari)
Particuliere organisaties zoals Stichting Projecthulp Haïti verzamelen geld om er prefab-woningen mee te maken, die in Haïti zelf worden vervaardigd. Deze orkaan- en aardbevingbestendige huisjes van 18 m² worden aan de armste Haïtianen uitgedeeld. (E-magazine-Haïti, 19 maart)
COHAN (Comitée Haïti Nederland)
Red.: André de Waele Wezenland 366 7415 JJ Deventer. E-mail: dewacohan@12move.nl