Une semaine en Haïti (UsH) heeft haar publicaties slechts gedeeltelijk hervat.
Na de aardbeving- Door de aardbeving functioneren slechts dertien van de tweeëndertig stroomcircuits. Meer dan 85 miljoen dollar zijn nodig voor het herstel van de schade. Een van de gevolgen is dat voor telefoneren men aangewezen is op mobile telefoons met oplaadbare batterijen.
- Op 8 februari is een inentingscampagne gestart tegen mazelen, difterie en tetanus. In twee weken wil men 140.000 personen vaccineren.
In ziekenhuizen moeten veel mensen met wondinfecties of slecht geheelde wonden geholpen worden. Bij de reddingswerkzaamheden moesten vaak lichaamsdelen worden geamputeerd.
- De directeur-generaal van het Instituut voor Bescherming van het Nationaal Erfgoed heeft van de gemeentes, het ministerie van Openbare Werken en alle nationale instanties geëist dat zij zijn toestemming moeten hebben alvorens gebouwen met historische waarde af te breken.
- Een groep van 350 Japanse militairen van de genietroepen is in Haïti aangekomen om deel uit te maken van Minustah en te helpen bij de wederopbouw.
Sinds de aardbeving heeft Japan 70 miljoen dollar geschonken voor noodhulp en medicijnen.
- De zevenentwintig EU-landen zullen 400 miljoen dollar schenken voor de wederopbouw. Europese ngo's zijn in Haïti werkzaam in het kader van de noodhulp die de EU gegeven heeft.
Een groot deel van de scholen is door de aardbeving verwoest of beschadigd. De minister van Onderwijs heeft een onderzoek ingesteld naar de toestand van de openbare scholen, de privéscholen en die door religieuzen worden geleid. Hij onderzoekt ook de mogelijkheid om tenten neer te zetten om weer les te kunnen geven aan in totaal ongeveer 1,5 miljoen kinderen. In het binnenland zijn de scholen op 12 januari weer begonnen.
Kritiek op de regeringJustitia et Pax heeft op 28 januari een open brief gestuurd aan de premier en geeft daarin uitdrukking van haar ongerustheid over het gebrek aan communicatie van de kant van de president en de regering. Er waren geen woorden van bemoediging of meeleven, ze gaven geen uitleg van de beslissingen die ze genomen hadden en van wat de noodtoestand inhoudt. Evenmin werd iets gezegd over de begeleiding van de mensen die Port-au-Prince moesten verlaten en hoe de gemeentes hun hulp konden bieden en wie dat controleerde.
Andere organisaties maken zich zorgen over 'de invasie van 20.000 militairen' als antwoord op de humanitaire crisis Bij politieke spanningen die met onrust onder de bevolking gepaard gingen, is onder toezichtstelling door vreemde mogendheden nooit geaccepteerd. In de vergadering in Montréal zag de premier, om deze ongerustheid en kritiek weg te nemen, zich genoodzaakt te zeggen dat de Haïtiaanse staat een centrale rol zal spelen bij de coördinatie en bij de verdeling van de hulp en 'niet de bedoeling heeft aan wie dan ook een deel van haar soevereiniteit op te geven'. De informatie die de regering daarna op 1 februari over de noodtoestand gaf, verschafte duidelijkheid over haar acties en prioriteiten, vooral over de voedselhulp, de watervoorziening en de gezondheidszorg.
Een vijftigtal organisaties uit heel de wereld hebben in een appel regeringen en internationale organisaties opgeroepen 'onmiddellijk en onvoorwaardelijke kwijtschelding te verlenen van de buitenlandse schulden die Haïti heeft en waarvan terugbetaling het leven van miljoenen treft'. Zij eisen dat de 'middelen die bestemd zijn voor hulp en wederopbouw niet tot een nieuwe schuld leiden en dat er geen voorwaarden aan worden gesteld die het beoogde doel veranderen, zoals dat de gangbare praktijk is van internationale financiële instellingen zoals de Wereldbank, het BID, het IMF en de zogenaamde donorlanden'.
Op het eind van hun vergadering op 6 maart in Canada hebben de ministers van Financiën van de G7 kwijtschelding van de bilaterale schulden van Haïti toegezegd. Het betreft hier dus niet de multinationale schulden aan de inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank (BID) en het IMF.
In Cap-Haïtien, de tweede stad van Haïti, hebben zich op 14 en 15 februari van dit jaar ook (zwakke) aardschokken voorgedaan, waardoor een school instortte en vier kinderen omkwamen. Volgens seismologen bestaat het gevaar van aardschokken ook op ander plaatsen in het land. In iedere voorafgaande eeuwen kwam op zijn minst een aardbeving voor. In 1751 en 1771 werd Port-au-Prince er zwaar door getroffen, in 1842 Cap-Haïtien In 1887 en 1940 werd het noorden er door getroffen met als gevolg grote schade in Port de Paix en Cap-Haïtien.
ProtestenIn de hoofdstad is er, nu het regenseizoen aankomt, op 11 en 15 februari woedend geprotesteerd tegen het uitblijven van noodvoorzieningen. Voor 20 februari zouden er 40.000 tenten komen die een voorlopig onderdak zouden bieden. Volgens humanitaire organisaties zijn er inmiddels ongeveer 20.000 uitgedeeld (ook sanitaire voorzieningen en mogelijkheden om te koken) en zullen er nog 50.000 andere volgen. Op ruim drie honderd plaatsen in de stad hebben de mensen zelf een zeer gebrekkige schuilplaats opgezet door lappen stof over stokken te spannen.
Honderdduizenden hebben hun huis verloren. Voor degenen van wie hun huis beschadigd of grotendeels verwoest is, bestudeert een commissie de mogelijkheid om hen financieel te helpen het te repareren of weer op te bouwen.
De BID schat dat voor de wederopbouw 14 miljard dollar nodig zal zijn.
De minister van Openbare Werken heeft besloten tot sluiting van de zandafgraving in Laboule, ten oosten van de hoofdstad. Gebruik van rivierzand voor het maken van beton mag alleen met toestemming van het ministerie.
Gevreesd wordt dat veel afvoerkanalen door puin verstopt zijn. Het kan maanden duren eer die weer normaal functioneren.
In het begin van de humanitaire hulp was de grootste uitdaging de getroffenen voedsel, water en tenten te verschaffen. Er is 9 miljoen ton voedsel uitgedeeld aan 2,3 miljoen mensen, waarvan 1,6miljoen in de regio Port-au-Prince wonen.
Nu wordt er een plan bestudeerd voor de tweede fase. Honderdduizenden die hun huis verloren hebben zouden mogelijk een tijdelijk onderkomen krijgen in eenvoudige constructies van licht materiaal dat cycloonbestendig is. (UsH 18 februari)
Medische teams uit Cuba hebben een zeer belangrijke rol gespeeld in de hulpverlening. Ze waren volgens deskundigen de eerste die midden in de puinhopen gewonden verzorgden. Ze verrichtten achttien uur per dag de ene na de andere operatie. Verpleegkundigen waren dag en nacht bezig.
Haïti en Cuba hebben in 1998 een overeenkomst getekend voor samenwerking op medisch gebied. Al voor de aardbeving waren er al 344 Cubaanse artsen in Haïti werkzaam. Na de aardbeving kwam de rampenbrigade in actie, zoals ze dat al eerder deed in China, Indonesië en Pakistan.
Ze werkten, met financiële steun van Venezuela, in drie opgeknapte ziekenhuizen en in vijf veldhospitaals. Zeventig fysiotherapeuten waren met Haïtiaans personeel werkzaam in negen revalidatiecentra.
Het Cubaanse team werd bijgestaan door specialisten uit Venezuela, Chili, Spanje, Mexico, Columbia en Canada en zeventien zusters.
Cuba stuurde ook 400.000 vaccins tegen tetanus.
De internationale nieuwsagentschappen maken melding van slechts enkele tientallen Cubaanse artsen die Haïti te hulp kwamen, terwijl er meer dan negenhonderd medici, inclusief de bijna driehonderd in Cuba afgestudeerde artsen zich voor de slachtoffers inzetten.
Ofschoon het arm is, is Cuba rijk aan menskracht wat artsen, ingenieurs en deskundigen in rampenbestrijding betreft. Ze speelt op dat gebied een grotere rol dan de rijke landen in het westen.
Ook gaf Cuba de Amerikanen, ondanks bijna vijftig jaar vijandschap, toestemming over Cubaans grondgebied te vliegen om gewonden naar Guantanamo Bay te vliegen, waardoor de vliegtijd 90 minuten minder duurde. (HSG 16 februari)
De VN organiseren 31 maart een donorconferentie. Voor het herstel van de economie zou het voornaamste agendapunt de landbouw moeten zijn, maar gevreesd wordt dat men het spoor van Bill Clinton en de econoom Paul Collier blijft volgen. Beiden pleiten al enige tijd voor uitbreiding van de assemblage-industrie als hefboom voor herstel van de economie. Hun argument is dat zoveel mogelijk mensen aan werk moeten worden geholpen, maar ze verzuimen te melden dat de mensen die er werken slecht betaald worden en dat het buitenland het meeste profijt heeft van dit soort. De grondstoffen komen uit het buitenland, worden in Haïti bewerkt en daarna weer naar het buitenland verscheept.
Aandacht voor lokaal geproduceerde goederen zou het tegengestelde effect hebben: alle profijt komt dan de Haïtianen ten goede. Haïtiaanse ondernemers kunnen zelf produceren wat Haïtianen nodig hebben en de Haïtianen zelf zouden genieten van de winst die op ieder onderdeel van het productieproces gemaakt wordt.
Maar het meest verdient de landbouw aandacht.
Haïti is in het westelijk halfrond het enige land waar de meerderheid van de bevolking landbouw bedrijft. De schattingen lopen uiteen van 60,5% (VN, 2006) tot 80% (boerenorganisaties).
Toch wordt van alle voedsel 57% ingevoerd (Wereldbank, 2008). Dit is het gevolg van een politieke keus. In de jaren tachtig dwongen de VS en de internationale organisaties Haïti tot lage invoertarieven voor voedsel, waartegen de Haïtiaanse boer niet kon concurreren. Ook de aan Haïti opgedrongen vrijhandel maakte het voor de boer onmogelijk voldoende te verdienen om in eigen levensonderhoud te voorzien.
Nu leeft 80 % van de boeren in armoede, waarvan 67% in extreme armoede. De orkanen van 2008 vernielden meer dan 70% van de landbouw en de meeste landwegen, bruggen en andere infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor productie en handel.
Er is een directe relatie tussen het aantal slachtoffers van de aardbeving en de slechte toestand van de landbouw. Tot een exodus uit het binnenland gedwongen, zaten rond de 3 miljoen mensen opeengehoopt in de hoofdstad die berekend was op 200.000 en 250.000 inwoners. De meer dan dertig jaar verwaarloosde landbouw dwong boeren hun heil te zoeken in de assemblage-industrie of in de informele handel. Ook het ontbreken van iedere overheidsdienst in het binnenland heeft een rol gespeeld. Voor officiële documenten moet men naar Port-au-Prince. Ook voor een bezoek aan specialisten in de gezondheidssector en voor andere bijzondere diensten was men aangewezen op de hoofdstad.
De bekende Jean-Baptiste Chavannes, leider van Tèt Kole de grote boerenorganisatie, merkt op: 'Het zijn niet huizen die opnieuw moeten worden gebouwd, maar er zal in de landbouw moeten worden geïnvesteerd'. Nu doet zich de gelegenheid voor om die te ontwikkelen, er werk te verschaffen - ook aan degenen die de stad moesten ontvluchten - en het gebrek aan voedsel te verminderen. Vluchtelingen die naar het Plateau Central uitweken zeggen daar te willen blijven als ze land krijgen en de middelen om er te boeren. Ze voelen zich liever niet gedwongen terug te keren naar de assemblage-industrie in de stad met lonen die te laag zijn voor een menswaardig bestaan en met de kans ieder moment ontslagen te worden.
Port-au-Prince zou weer leefbaar worden en niet meer de overbevolkte stad zijn, waar mensen moeten leven in een onmenselijke situatie, waar acht van de tien inwoners in sloppen leven.
Naar schatting ontbreekt aan meer dan 2,4 miljoen personen voedselzekerheid. Van de kinderen die jonger zijn dan vijf jaar is 9% ernstig ondervoed en lijdt 24% aan permanent voedseltekort (Wereldvoedselprogramma, 2010).
De Haïtiaanse economische politiek moet zich gaan richten op de landbouw en prioriteit geven aan:
- Voedselonafhankelijkheid. 'De bevolking heeft het recht de landbouwpolitiek te bepalen, te produceren voor eigen en lokale behoefte door een gezonde en eenvoudige vorm van landbouw, met respect voor het milieu, voor Moeder Aarde, die de moeder is van de toekomstige generaties'. (J.B. Chavannes)
- Decentralisatie van overheidsdiensten. Wie in het binnenland woont, moet dezelfde toegang hebben tot alle overheidsdiensten als de inwoners van de Port-au-Prince.
- Technische ondersteuning. Boeren in de Artibonite bijvoorbeeld produceren niet genoeg, maar weten niet hoe dit probleem op te lossen. Ze hebben het advies van een landbouwkundige nodig. Ook hebben ze hebben behoefte aan krediet om werktuigen te kopen, hulp bij de opslag en handel, bij herbebossing en watermanagement.
- Landhervorming. Wie zijn land bewerkt moet er zeker van zijn dat te kunnen blijven doen en niet de angst hebben ervan te worden verjaagd. De wet moet hierop worden aangepast.
- Zaden. Boeren hebben behoefte aan zaden, maar willen geen genetisch gemanipuleerd zaad. 'Als men begint met het sturen van bastaard Ngo-zaad, is dat het eind van de Haïtiaanse landbouw' (J.B.Chavannes)
- Op midden en lange termijn moet voedselhulp verboden worden. USAID alleen al gaf dit jaar voor 113 miljoen dollar voedselhulp. Dat was nodig, maar de boeren zeggen dat de overheid gauw al het mogelijke moet doen om de eigen voedselproductie op te voeren, zodat voedselhulp kan worden vervangen door lokale productie. Zo niet, dan wordt Haïti steeds meer afhankelijk en nemen multinationale voedsel- en zaadproducenten voor altijd de Haïtiaanse markt over.
De Haïtiaanse overheid heeft een lange geschiedenis van het verwaarlozen van wat de eigen boeren nodig hebben, maar reageerde wel op wat de grote klasse van landeigenaren nodig wilden en meer recent op de VS die zwaar gesubsidieerde voedsel tegen lage prijzen aan Haïti verkopen. Ook andere buitenlandse machten dumpten een te veel aan voedsel of verkochten het aan Haïti. (HSG 2 maart
COHAN (Comitée Haïti Nederland)
Red.: André de Waele Wezenland 366 7415 JJ Deventer. E-mail: dewacohan@12move.nl