Voor deze verkiezingen wordt een opkomst verwacht van niet meer dan 5%. Dit is meestal het geval bij gedeeltelijke verkiezingen (er zijn maar twaalf senatorzetels vacant). Bovendien is men teleurgesteld over het resultaat van de algemene verkiezingen van 2006. Ook blijken er in verschillende plaatsen technische problemen te zijn.
Radio Métropole meldt dat in het zuiden en in Les Cayes onbekenden geprobeerd hebben kiesbureaus in brand te steken. Volgens de voorzitter van la Fusion, Victor Benoît, worden leden van zijn partij regelmatig aangevallen door aanhangers van L'Espoir en andere groeperingen die dicht bij de macht staan. Ook wordt l'Espoir, dat een grote reclamecampagne voert, ervan beschuldigd publiek geld hiervoor te gebruiken.
Een senator van Lavalas roept, met de slogan 'portes fermées' op tot een boycot van de verkiezingen, maar wil dat die een 'vreedzaam karakter' heeft. Toch zijn er in Port-au-Prince in verschillende wijken pamfletten gevonden met bedreigingen voor degenen die toch hun stem willen uitbrengen.
Tijdens de vergadering over Haïti in Washington (6 april) zei Ban Ki-Moon het voor een stabiele politieke situatie noodzakelijk is dat de verkiezingen vrij en eerlijk zijn en dat niemand ervan wordt uitgesloten. Heidi Annabi, leider van Minustah, zei dat het van wezenlijk belang is dat de verkiezingen plaatsvinden zonder geweld. Hij betreurt het dat Fanmi Lavalas van deelname is uitgesloten. Hij zei niet op de hoogte te zijn van de boycot waartoe deze partij heeft opgeroepen.
Op 19 april zegt de voorzitter van de CEP: 'Deze verkiezingen zijn geslaagd. Het volk heeft gestemd'. Later voegt hij eraan toe: 'Maar niet massaal' Hij wijt dit voor een deel aan gebrek aan inzet van de politieke partijen om de kiezers aan te sporen te gaan stemmen.
Hij zegt nog niet in staat te zijn een schatting te maken van de uitgebrachte stemmen.
De directeur-generaal van de CEP is blij dat Fanmi Lavalas de openbare orde niet heeft verstoord. De leiding van Fanmi Lavalas van haar kant bedankt het volk dat het de verkiezingen geboycot heeft. Zij vindt dat dit aantoont dat hun partij de machtigste is in het land.
In het Plateau Central vonden in verschillende steden gewelddadige incidenten plaats, waardoor de CEP zich genoodzaakt zag er de verkiezingen af te gelasten.
In Mirebalais drongen gewapende mannen het kiesbureau binnen, namen de stembussen mee en richtten vernielingen aan.
In Lascahobas bezetten een kandidaat en zijn aanhang het stembureau en dwongen de voorzitter de kieslijst te tekenen ten gunste van hun kandidaat. Volgens AlterPresse werden waarnemers en journalisten aangevallen en trad te politie hiertegen niet op.
Ook vanuit andere plaatsen in het Plateau Central worden dit soort incidenten gemeld.
In het hele land vonden onregelmatigheden plaats: mensen zouden twee keer hebben kunnen kiezen en in Ouanaminthe sloot de politie het stembureau nadat een kandidaat geprobeerd had zich van de stembussen meester te maken. Ook elders werden verkiezingen afgelast of moesten stembureaus voortijdig worden gesloten.
In Port-au-Prince zijn de verkiezingen over het algemeen rustig verlopen.
Ook voor de verkiezingen deden er zich incidenten voor.
Het dagblad Le Matin bericht dat de politie in aan auto, die bestuurd werd door een lid van l'Espoir, stembussen aantrof gevuld met stembiljetten. Ook lagen er een pistool en een geweer in de wagen. Toen dit bekend werd trokken duizenden mensen, zwaaiend met borden met de afbeelding van de kandidaat van La Fusion, naar het hotel Wozo Plazza, eigendom van de minister van Landbouw. Hij zou openlijk zijn steun hebben betuigd aan L'Espoir.
In het departementen le Centre beschuldigen kandidaten elkaar van ernstige vergrijpen. Een vrouwelijke senator (lid van Fusion) beschuldigt een van de kandidaten, (lid van Ucadde) ervan dat hij een plan gesmeed had om haar te vermoorden. Zij zegt ook dat vrouwen van haar partij lastig worden gevallen en dat 'de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn, maar tot nu toe niets doen'.
Eerder al werd de vice-voorzitter van de CEP ervan beschuldigd zijn positie te gebruiken ten gunste van zijn partij Ucadde.
Aanhangers van de kandidaat van l'Espoir worden ervan beschuldigd de auto van een andere kandidaat in brand te hebben gestoken. Als represaille ging de auto van de eerste in vlammen op.
Tijdens een persconferentie weigert de woordvoerder van de CEP het aantal uitgebrachte stemmen bekend te maken. Dit zal later gebeuren.
De senator van Noordwest heeft Préval opgeroepen het volk excuus te vragen na 'de mislukking' van de verkiezingen. Hij vindt dat de senaat degenen die in deze 'maskerade' gekozen zijn niet als senator moet erkennen.
Een andere senator heeft aangekondigd dat zij en vier collega's gezamenlijk besloten hebben de twaalf senatoren die op 19 april gekozen zijn niet te erkennen. Een van deze collega's is lid van l'Espoir. Hij vindt dat de democratie gevaar loopt wanneer, zoals het geval was in zijn departement les Nippes, kiezers voor het uitbrengen van hun stem betaald worden. 'Mensen hebben gestemd in ruil voor geld of voedsel. Geld heeft het stemgedrag in les Nippes totaal veranderd'.
De leiding van l'Espoir in het Plateau Central heeft gereageerd op de ernstige incidenten die er op 19 april hebben plaatsgevonden. 'Wij zijn het die, toen ze gehoord hadden dat de aanhang van Willot Joseph (Ucadde, red.) in Papaye de stembussen gevuld hadden, besloten hebben een eind te maken aan deze demagogie'. Ze zeiden te hebben willen 'protesteren tegen de steun die autoriteiten binnen de regering en de politie' aan de kandidaat van Ucadde gaf.
Ook in de Artibonite deden zich incidenten voor. Volgens de coördinator van Ucadde werden die veroorzaakt door aanhangers van la Fusion en l'Espoir. Hij meent dat de overwinning van Ucadde in deze regio zo evident was, dat de leiding van beide partijen niets anders kon doen dan onrust zaaien en zo de verkiezingen ongeldig te doen verklaren.
Volgens het platform van mensenrechtenorganisaties heeft het grootste deel van bevolking geen vertrouwen in de CEP en in het parlement.
Ze waardeert de moeite die de CEP gedaan heeft om het stemmers de weg naar de stembureaus te wijzen en de inzet van de politie om de veiligheid te waarborgen.
Volgens pater Jean Hanssens van Justitia et Pax was in een van de bezochte kiesbureaus in Port-au-Prince het aantal uitgebrachte stemmen minder dan 1%. De politieke partijen slagen er niet in het volk te bereiken. Er is ook nogal wat geweld gebruikt, vooral in het Plateau Central. Maar ook was er, vindt hij, sprake van intimidatie waaraan ook senatoren en afgevaardigden zich schuldig hebben gemaakt.
Begin april heeft de minister van Justitie twee rechters in Port-au-Prince op non-actief gesteld. Een van de rechters, onderzoeksrechter van Port-au-Prince (Fitzner Fils-Aimé), is op non-actief gesteld na publicaties in de pers van klachten over ernstige gevallen van corruptie. Volgens de Haïtiaanse mensenrechtenorganisatie (Rnddh) zou hij zelf zaken aanhangig hebben gemaakt, liet hij burgers arresteren, sprak vrij tegen betaling, enz.
De andere rechter zou honderdduizend gourdes hebben ontvangen in ruil voor een beschikking in een eigendomsconflict over een stuk grond.
De regeringscommissaris van Jérémie en zijn substituut zijn ontslagen, alsook de plaatsvervangend regeringscommissaris van Petit-Goâve. De redenen zijn 'corruptie en ernstige administratieve fouten'.
Op 3 april trekt een aantal journalisten door de straten van Port-au-Prince bij gelegenheid van de negende verjaardag van de moord op Jean Dominique. Ze komen uit de hoofdstad en uit het binnenland en dragen shirts met de afbeelding van hun vermoorde collega, de directeur-generaal van Radio Haïti Inter.
Voor het presidentieel paleis zegt Guyler Delva, de woordvoerder van de onafhankelijke commissie van onderzoek naar vermoorde journalisten, dat de Haïtiaanse overheid beslist wil doorgaan met het oplossen van de zaak Jean Dominique. Dit dossier was in handen van Fitzner Fils-Aimé, die nu op non-actief gesteld is. Zijn taak was de opdrachtgevers van de moord achter de tralies te sluiten. Guyler Delva vraagt zich af of er nu een nieuwe rechter zijn taak zal overnemen. Hoe langer dit duurt, hoe moeilijker het wordt de waarheid te achterhalen.
Sinds de opening van deze zaak in 2000 zijn minstens zes onderzoeksrechters met deze zaak belast, zonder dat ze rapport hebben uitgebracht dat de schuld van de verdachten aantoont.
Op 3 april betogen in West Palm Beach een paar duizend Haïtianen vijf uur lang tegen de voorgenomen uitzetting van dertigduizend landgenoten die illegaal in de VS wonen. Ze vinden dat het Statuut Tijdelijke Bescherming (TPS) ook op hen van toepassing is, omdat het volgens de Amerikaanse autoriteiten verleend wordt aan vluchtelingen die niet naar hun land terug kunnen vanwege gewapende conflicten, natuurrampen of andere bijzondere en tijdelijke situaties. Het statuut is nooit verleend aan Haïtianen, maar wel aan inwoners van Honduras, El Salvador en Nicaragua. Ze beschouwen dit als discriminatie.
Ook in New York betogen Haïtianen tegen dit in hun ogen oneerlijk beleid.
De afgevaardigde van Florida Alcee Hastings heeft in januari het Congres de Haitian Protection Act of 2009 voorgesteld. In een brief aan Obama vraagt hij onmiddellijke toepassing van het Statuut Tijdelijke Bescherming op Haïtianen die illegaal in de VS verblijven, omdat Haïti 'nog niet hersteld is van verwoestende natuurrampen, van het geweld en de politieke instabiliteit die ernstige bedreigingen vormen voor de persoonlijke veiligheid van de ongeveer dertigduizend is op het punt staan gerepatrieerd te worden na de uitspraak van enkele rechters'.
Drie weken later zegt Hillary Clinton tijdens haar bezoek aan Haïti dat haar regering de mogelijkheid bestudeert het Statuut Tijdelijke Bescherming (TPS) van toepassing te laten zijn op Haïtianen die illegaal in VS verblijven en er voor de inauguratie van Obama in de VS zijn aangekomen. Dit zou ongeveer dertigduizend Haïtianen betreffen.
GARR (vluchtelingenorganisatie) ziet de verklaring van Clinton als resultaat van de gezamenlijke inspanningen van vluchtelingenorganisaties, mensenrechtenorganisatie, kerken en de Haïtiaanse regering.
GARR waarschuwt voor mensensmokkelaars die van de toezegging van Clinton gebruik zouden willen maken om mensen aan te sporen om via hen illegaal in de VS zien te komen. Ze vraagt opnieuw om een wet die mensensmokkel bestraft en de slachtoffers ervan beschermt.
De laatste jaren worden in de Dominicaanse Republiek Haïtianen steeds vaker bedreigd en aangevallen. Drie Haïtianen werden in die periode overgoten met benzine en levend verbrand. Sinds begin dit jaar neemt het geweld weer toe en is er soms sprake van een werkelijke jacht op hen.
Op 2 mei j.l. werd op klaarlichte dag in de hoofdstad Santo Domingo een twintig jarige Haïtiaan op straat onthoofd. Omstanders maakten er met hun mobiele telefoontjes opnames van. De moordenaar is op 8 mei aangehouden. Hij verweert zich door zijn slachtoffer ervan te beschuldigen zijn broer met een machette te hebben gedood.
Haïti heeft via haar ambassadeur in Santo Domingo officieel geprotesteerd, een onderzoek geëist en vervolging van de dader en medeplichtigen.
De voorzitter van de senaat vraagt dat de Haïtiaanse ambassadeur teruggeroepen wordt.
Als vorm van protest dreigen vervoerders een week lang over en weer geen goederen te vervoeren.
Verschillende mensenrechtenorganisaties houden daarop op 8 mei een sit-in protest voor de Dominicaanse ambassade in Petionville.
De angst bestaat dat het geweld tegen Haïtianen van de laatste jaren zou kunnen leiden tot herhaling van het bloedbad in 1937. Er zijn al langer spanningen tussen beide landen. Haïti vertrouwt te veel op diplomatieke protesten, zonder dat er veel moeite gedaan wordt om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn om verslechtering van de wederzijdse relatie te voorkomen.
Dit soort geweldplegingen worden vooral gepleegd door Dominicaanse ultranationalisten. Ze hebben zich onlangs nog verzet tegen een dagelijkse busverbinding tussen Port-au-Prince en Santo Domingo die een Haïtiaans particulier bedrijf wil instellen. Dagelijks rijden er tientallen Dominicaanse bussen tussen beide steden zonder dat dit problemen geeft.
In een geschrift, overhandigd aan de Dominicaanse missie in Haïti, vragen GARR en andere mensenrechtenorganisaties overleg tussen beide landen over het migratieprobleem. De migratie, de situatie van Haïtianen in de Dominicaanse Republiek, het repatriëren van Haïtianen en het grensverkeer moet beter geregeld worden.
De oud-ambassadeur Guy Alexandre pleit daar al acht jaar voor. Hij wijst erop dat Haïtiaanse arbeidskrachten een belangrijke bijdrage leveren aan de Dominicaanse economie en op een na de belangrijkste handelspartner van het buurland is. De oud-ambassadeur vindt dat Haïti in haar onderhandelingen met de Dominicaanse Republiek al haar troeven moet gebruiken. Nu schijnt men daar alles maar op zijn beloop te laten waar het geweld tegen Haïtianen en schendingen van de mensenrechten betreft. Dominicaanse burgers kunnen tegen Haïtianen straffeloos geweld plegen.
Intussen gaan uitzettingen van illegale Haïtianen door zonder dat men zich aan de afgesproken regels houdt.
Op 1 mei eisen honderden vakbondsmensen en boeren een hoger minimumloon. Wanneer ze richting het presidentiële paleis willen gaan, worden ze door de politie met traangas tegengehouden.
De Kamer van Afgevaardigden en de Senaat hebben ingestemd met een verhoging van het minimumdagloon van 70 gourdes tot 200 gourdes ($ 5,--). Préval, die hiertegen geen bezwaar maakte, heeft de nieuwe wet nog laten publiceren in de staatskrant.
Verschillende ondernemingen dreigen nu massaal werknemers te ontslaan.
COHAN (Comitée Haïti Nederland)
Red.: André de Waele Wezenland 366 7415 JJ Deventer. E-mail: dewacohan@12move.nl